sweer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
sweer
gesweer
volledig

Werkwoord

sweer

  1. zweren
    «Die leenman het aan die koning 'n eed moet sweer dat hy de koning militêr sal steun en trou sal wees.»
    De leenman heeft de koning een eed moeten zweren dat hij hem militair zou steunen en trouw aan hem zou zijn.