surfen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sur·fen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
surfen
surfte
gesurft
zwak -t volledig

Werkwoord

surfen

  1. (inergatief) (sport) een op het water liggende plank berijden, al of niet met een zeil
    Er wordt daar vaak gesurft als er grote golven zijn.
  2. (inergatief) (informatica) zich op het internet begeven
Synoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen