suizen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sui·zen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| suizen |
suisde |
gesuisd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
suizen
- (inergatief) een ruisend geluid voortbrengen
- Na die wilde avond bonkte en suisde mijn arme hoofd.
- (ergatief) zich snel verplaatsen zodat er een ruisend geluid voortgebracht wordt
- Hij was op zijn snowboard van de helling gesuisd.