suizen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sui·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
suizen
suisde
gesuisd
zwak -d volledig

Werkwoord

suizen

  1. (inergatief) een ruisend geluid voortbrengen
    Na die wilde avond bonkte en suisde mijn arme hoofd.
  2. (ergatief) zich snel verplaatsen zodat er een ruisend geluid voortgebracht wordt
    Hij was op zijn snowboard van de helling gesuisd.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen