stuiver

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stui·ver
enkelvoud meervoud
naamwoord stuiver stuivers
verkleinwoord stuivertje stuivertjes

Zelfstandig naamwoord

stuiver m

  1. (numismatiek) een muntstuk van vijf cent (f0,05), een twintigste van een gulden
    Daar heb ik wel een paar stuivers voor over.