stuiteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stui·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stuiteren
stuiterde
gestuiterd
zwak -d volledig

Werkwoord

stuiteren

  1. (ergatief) herhaaldelijk vanaf de bodem kaatsend opspringen
    Een van de knikkers was van de tafel gestuiterd.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen