stuiteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stui·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Een frequentatieve vorm van stuiten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stuiteren |
stuiterde |
gestuiterd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stuiteren
- (ergatief) herhaaldelijk vanaf de bodem kaatsend opspringen
- Een van de knikkers was van de tafel gestuiterd.