studeerden af
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- stu·deer·den af
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| afstuderen |
studeerden af
- meervoud verleden tijd van afstuderen
- Wij studeerden af.
- Jullie studeerden af.
- Zij studeerden af.
- Wij studeerden af.