strooien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- strooi·en
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | (alleen attributief) |
| verbogen | strooien |
Bijvoeglijk naamwoord
strooien
- van stro gemaakt
- Hij liep daar rond met de belachelijke strooien hoed.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| strooien |
strooide |
gestrooid |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
strooien
- (overgankelijk) verspreid neergooien
- De boer was het zaad al op de velden aan het strooien.