strekte
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- strek·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| strekken |
strekte
- enkelvoud verleden tijd van strekken
- Ik strekte.
- Jij strekte.
- Hij, zij, het strekte.
- Ik strekte.
| vervoeging van |
|---|
| strekken |
strekte