strak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- strak
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | strak | strakker | strakst |
| verbogen | strakke | strakkere | strakste |
Bijvoeglijk naamwoord
strak
- nauwzittend, zonder plooien, glad
- Ze draagt een wit T-shirt boven een strakke spijkerbroek.
- Met een strak gezicht houdt hij vol dat hij het niet gedaan heeft.
- streng, zonder uitzonderingen
- In zijn huis gelden strakke regels.
- De sporter werkt volgens een strak schema.
- zonder franje, recht toe recht aan
- Die kunststroming wordt gekenmerkt door functionaliteit en strakke vormgeving.