straffen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: straffen (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈstrɑfə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈstrɑfə(n)/
Woordafbreking
- straf·fen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| straffen |
strafte |
gestraft |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
straffen
- (overgankelijk) negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
- De leraar strafte hem omdat hij te laat kwam, hij moest een nablijfbriefje halen bij de conciërge.
Vertalingen
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
Zelfstandig naamwoord
straffen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord straf