stoel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: stoel (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /stuɫ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /stul/
Woordafbreking
- stoel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stoel | stoelen |
| verkleinwoord | stoeltje | stoeltjes |
Zelfstandig naamwoord
stoel m
- een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
- Halen jullie de stoelen even naar buiten, dan gaan we buiten eten.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- in zijn stoel neerploffen
Vertalingen
1. zitmeubel
|
|
1. in zijn stoel neerploffen
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| stoelen |
stoel