steltloper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stelt·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord steltloper steltlopers
verkleinwoord steltlopertje steltlopertjes

Zelfstandig naamwoord

steltloper m

  1. iemand die op stelten loopt
    In het circus zijn vaak wel steltlopers te vinden.
  2. een waadvogel op lange poten
    Een kluut en een grutto zijn steltloper.