stek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stek
enkelvoud meervoud
naamwoord stek stekken
verkleinwoord stekje stekjes

Zelfstandig naamwoord

stek m

  1. een afgesneden takje waaruit een nieuwe plant kan groeien
  2. een voerplek voor vissen
  3. een plekje


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /stæk/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

stek m

  1. stok
  2. tentstok
  3. tak
Verbuiging
Afgeleide begrippen