steigeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stei·ge·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
steigeren
steigerde
gesteigerd
zwak -d volledig

Werkwoord

steigeren

  1. (inergatief) (paardrijden) (van paarden) op de achterbenen gaan staan
    Haar paarde steigerde plotseling en zij viel hard op de grond.