steiger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Steiger
[2] Steiger

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stei·ger
enkelvoud meervoud
naamwoord steiger steigers
verkleinwoord steigertje steigertjes

Zelfstandig naamwoord

steiger m

  1. (waterstaat), (scheepvaart) een gewoonlijk houten constructie die het water insteekt en waaraan een boot kan afmeren
    Het jacht ligt nu veilig aan de steiger afgemeerd.
  2. (bouwkunde) een tijdelijke constructie van palen en werkplateaus die bouwvakkers een werkvloer verschaffen bij bouw- en onderhoudswerk
    Met een bouwlift brengt men de bouwmaterialen op de steiger.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
steigeren

steiger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steigeren
    Ik steiger.
  2. gebiedende wijs van steigeren
    Steiger!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steigeren
    Steiger je?