spuwden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- spuw·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| spuwen |
spuwden
- meervoud verleden tijd van spuwen
- Wij spuwden.
- Jullie spuwden.
- Zij spuwden.
- Wij spuwden.
| vervoeging van |
|---|
| spuwen |
spuwden