spruit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spruit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spruit | spruiten |
| verkleinwoord | spruitje | spruitjes |
Zelfstandig naamwoord
spruit m
- (plantkunde) een uitloper aan een plant
- Er zitten een heel stel nieuwe spruiten aan die plant.
- (groente) een uitloper van de spruitkool Bressica
- We hebben lekker spruitjes gegeten.
- overdrachtelijk iemands kinderen
- Ik moet nog even de spruiten naar bed brengen.
- (scheepvaart) een onderdeel van de verstaging van een zeilschip
- De achterstag kan direct midden achter de mast aan de romp van het schip bevestigd zijn, maar kan ook middels een spruit bevestigd worden.
- (molenaarsambacht) een van twee horizontale balken waaraan de staart van een bovenkruier bevestigd is
- De lange spruit zit met de twee lange schoren onder aan de staartbalk vast en de korte spruit met de twee korte schoren.
Synoniemen
Vertalingen
1. een uitloper aan een plant
2. een uitloper van de spruitkool
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| spruiten |
spruit
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spruit | spruite |
Zelfstandig naamwoord
spruit