spruit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[2] Spruitjes.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spruit
enkelvoud meervoud
naamwoord spruit spruiten
verkleinwoord spruitje spruitjes

Zelfstandig naamwoord

spruit m

  1. (plantkunde) een uitloper aan een plant
    Er zitten een heel stel nieuwe spruiten aan die plant.
  2. (groente) een uitloper van de spruitkool Bressica
    We hebben lekker spruitjes gegeten.
  3. overdrachtelijk iemands kinderen
    Ik moet nog even de spruiten naar bed brengen.
  4. (scheepvaart) een onderdeel van de verstaging van een zeilschip
    De achterstag kan direct midden achter de mast aan de romp van het schip bevestigd zijn, maar kan ook middels een spruit bevestigd worden.
  5. (molenaarsambacht) een van twee horizontale balken waaraan de staart van een bovenkruier bevestigd is
    De lange spruit zit met de twee lange schoren onder aan de staartbalk vast en de korte spruit met de twee korte schoren.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
spruiten

spruit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spruiten
  2. gebiedende wijs van spruiten


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord spruit spruite

Zelfstandig naamwoord

spruit

  1. spruit (uitloper, loot)
  2. spruit (kind)
  3. een riviertje.
    «'n Droge spruit
    Een riviertje dat soms droog staat.