spraken
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- spra·ken
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| spreken |
spraken
- meervoud verleden tijd van spreken
- Wij spraken.
- Jullie spraken.
- Zij spraken.
- Wij spraken.
| vervoeging van |
|---|
| spreken |
spraken