spouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spou·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spouwen
spouwde
gespouwen
gemengd volledig

Werkwoord

spouwen

  1. (overgankelijk) (verouderd) in lengterichting verdelen, splitsen, splijten [1]
    Wordende ten dien eijnde de gemelte vrijeln, ende oock allen anderen, wie het soude mogen wesen voornamentlijck wel expresselijck mede gelast haere geesels (sommige van gespouwen rottangen, ende ander van touwe met cnoppen aen de eijnde gemaeckt) wegh te doen op peune van 6 realen boeten daersse na de affcundige deses door den fiscus in ijmants huijs sullen bevonden worden.[2]
  2. (verouderd) spuwen [3]
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
  • Al bij Wieland (1806) was het werkwoord gemengd maar hij suggereert dat het oudtijds tot klasse 7 behoorde (spieuw in plaats van spouwde).

Zelfstandig naamwoord

spouwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spouw
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl (splisen)
  2. Actum in't Fort de Goede Hoope, Adij 6en Augustij, Ao 1658. Was geteijckent, Jan van Riebeeck
  3. etymologiebank.nl (spuwen)