spotten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spot·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spotten |
spotte |
gespot |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
spotten
- (inergatief) zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
- iets of iemand ergens tegenkomen
Afgeleide begrippen
- [2] vogelspotten
Vertalingen
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
Duits
Uitspraak
Woordafbreking
- spot·ten
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spotten |
spottete |
gespottet |
| volledig | ||
spotten
- spotten, bespotten
- «In dieser Komödie spottet der Dichter über das Familienleben.»
- In deze komedie spottet de dichter over het gezinsleven.
- «In dieser Komödie spottet der Dichter über das Familienleben.»