spook
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spook
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spook | spoken |
| verkleinwoord | spookje | spookjes |
Zelfstandig naamwoord
spook o
- een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt.
- In dit kasteel is regelmatig een spook waar te nemen.
- overdrachtelijk: een vervelend persoon
- Wat een verwend spook is dat!
Vertalingen
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt