spook

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

spook
Uitspraak
Woordafbreking
  • spook
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spook spoken
verkleinwoord spookje spookjes

Zelfstandig naamwoord

spook o

  1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
    In dit kasteel is regelmatig een spook waar te nemen.
  2. overdrachtelijk: een vervelend persoon
    Wat een verwend spook is dat!
  3. schrikbeeld
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
spoken

spook

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
    Ik spook.
  2. gebiedende wijs van spoken
    Spook!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
    Spook je?

Meer informatie