splijten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
splijten splijtend
spleet gespleten
splijting splijtbaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • splij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
splijten
/'splɛɪtə(n)/
spleet
/splet/
gespleten
/ɣə'spletə(n)/
klasse 1 volledig

Werkwoord

splijten

  1. (overgankelijk) langs een nerf in tweeën breken
    We hebben eerst dit stuk hout gespleten.
  2. (ergatief) het proces van het in twee delen breken langs een nerf
    Dit hout splijt gemakkelijk.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen