splijten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| splijten | splijtend |
| spleet | gespleten |
| splijting | splijtbaar |
Uitspraak
Woordafbreking
- splij·ten
Woordherkomst en -opbouw
- <Middelnederlands: spliten, vgl. Middelhoogduits: splizen, Oudfries splīta, < Proto-Indo-Europees *spleid «splinter, spaan», vgl Oudiers: sliss
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| splijten /'splɛɪtə(n)/ |
spleet /splet/ |
gespleten /ɣə'spletə(n)/ |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
splijten
- (overgankelijk) langs een nerf in tweeën breken
- We hebben eerst dit stuk hout gespleten.
- (ergatief) het proces van het in twee delen breken langs een nerf
- Dit hout splijt gemakkelijk.