spleet
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spleet
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spleet | spleten |
| verkleinwoord | spleetje | spleetjes |
Zelfstandig naamwoord
- langgerekte nauwe en betrekkelijk diepe opening, meest langs een nerf of snede
- De vogel gebruikte de spleet in de boomstam om er een nest te bouwen.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| splijten |
spleet
- enkelvoud verleden tijd van splijten
- Ik spleet.
- Jij spleet.
- Hij, zij, het spleet.
- Ik spleet.