spannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • span·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spannen
spande
gespannen
gemengd volledig

Werkwoord

spannen

  1. (overgankelijk) onder trekkracht brengen [1]
    Hij spande een paar waslijnen tussen zijn tentstokken.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Iemand spant de kroon.

Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Zelfstandig naamwoord

spannen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord span
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord spanne


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
spannen spien spienen ghespannen
klasse 7 volledig  

Werkwoord

spannen

  1. spannen