snoten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈsnotə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈsnotə(n)/
Woordafbreking
- sno·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| snuiten |
snoten
- meervoud verleden tijd van snuiten
- Wij snoten.
- Jullie snoten.
- Zij snoten.
- Wij snoten.