snorkel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
A snorkel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snor·kel

Werkwoord

vervoeging van
snorkelen

snorkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorkelen
    Ik snorkel.
  2. gebiedende wijs van snorkelen
    Snorkel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorkelen
    Snorkel je?
enkelvoud meervoud
naamwoord snorkel snorkels
verkleinwoord snorkeltje snorkeltjes

Zelfstandig naamwoord

snorkel m

  1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water, onderdeel van een snorkeluitrusting of duikuitrusting
    Met een snorkel kun je ademhalen als je met je gezicht in het water ligt.
  2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ˈsnoːkəl/
Woordafbreking
  • snor·kel
Woordherkomst en -opbouw
vervoeging
onbepaalde wijs to snorkel
he/she/it snorkels
verleden tijd (US) snorkeled
(UK) snorkelled
voltooid
deelwoord
(US) snorkeled
(UK) snorkelled
onvoltooid
deelwoord
(US) snorkeling
(UK) snorkelling
gebiedende wijs snorkel

Werkwoord

snorkel

  1. (onovergankelijk) snorkelen.
    «Get tips for teaching kids how to snorkel.»
    Ontvang tips om kinderen snorkelen te leren.


enkelvoud meervoud
snorkel snorkels

Zelfstandig naamwoord

snorkel

  1. snorkel.
    «A snorkel is a bent tube that enables you to breath with your face underwater.»
    Een snorkel is een gebogen buis die u in staat stelt om adem met je gezicht onder water te halen.
  2. (scheepvaart) snuiver.
    «The first boat to be fitted with a snorkel was U-58.»
    De eerste met een snorkel uitgeruste boot was de U-58.