snoer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- snoer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | snoer | snoeren |
| verkleinwoord | snoertje | snoertjes |
Zelfstandig naamwoord
snoer o
- (elektrotechniek) soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
- Zit er aan dat snoer al een stekker?
- ketting van een aantal aaneengeregen voorwerpen (halssnoer)
- koord
- vislijn
Synoniemen
Hyponiemen
- [1] antennesnoer, telefoonsnoer
- [2] halssnoer