sne

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Sneeuw op de takken.

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • sne
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sne     sneen     -     -  
genitief   snes     sneens     -     -  

Zelfstandig naamwoord

sne

  1. (meteorologie) sneeuw (neerslag)
  2. sneeuw (de massa of laag op de grond als gevolg van neerslag in vorm van sneeuw)
    «I vintertiden er du som grundejer forpligtet til rydde sne
    In de winter bent jij als grondeigenaar verplicht sneeuw te ruimen.
  3. sneeuw (op een televisie of radarscherm)
  4. (spreektaal) cocaïne
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: den sne der faldt i fjor
sneeuw van gisteren (letterlijk: de sneeuw die vorig jaar viel)
  • [1]: evig sne
sneeuw van gisteren (letterlijk: eeuwige sneeuw)
  • [1]: i den kolde sne
in een staat van uitsluiting en afwijzing (letterlijk: in de koude sneeuw)
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sne
sner
sneede
sneet
volledig

Zelfstandig naamwoord

sne

  1. (meteorologie) sneeuwen
  2. (figuurlijk) in grote hoeveelheid zachtjes neervallen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: sne inde
insneeuwen
  • [1]: sne til
toesneeuwen
  • [2]: det er her det sner
hier speelt de muziek (letterlijk: het is hier waar het sneeuwt)