smoren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- smo·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| smoren |
smoorde |
gesmoord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
smoren
- (overgankelijk) iemand of iets het ademen beletten
- (overgankelijk) onderdrukken
- (overgankelijk), (kookkunst) iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
- We hebben lamsvlees gesmoord met witte wijn en paddenstoelen.
- (inergatief), (kookkunst) het door middel van smoren gaar worden van voedingsmiddelen
- Het vlees moet smoren en niet koken.
- (techniek) rood aardewerk, door gebrek aan zuurstof in de oven, grijs kleuren
- De gesmoorde dakpannen waren niet meer leverbaar.
Synoniemen
- [1] verstikken
- [3] braiseren
- [4] sudderen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
|
[2] Iets in de kiem smoren.
[4] Iemand in zijn eigen vet laten gaarsmoren.
|
Vertalingen
1. iemand of iets het ademen beletten
2. onderdrukken