smarten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- smar·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| smarten |
smartte |
gesmart |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
smarten
- (overgankelijk) (scheepvaart) met (geteerd) zeildoek bekleden.[1]
- De stagen worden gekleed, getrenst en gesmart.
Verwijzingen
- ↑ Zeemans-woordeboek
Jacob van Lennep
Uigegeven te Amsterdam, Gebroeders Binger 1856.
Zelfstandig naamwoord
smarten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord smart