sloten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slo·ten

Zelfstandig naamwoord

sloten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slot
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord sloot

Werkwoord

vervoeging van
sluiten

sloten

  1. meervoud verleden tijd van sluiten
    Wij sloten.
    Jullie sloten.
    Zij sloten.