slinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slin·ken
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: slinken
Germaans: *slinkan
  • Verwant in Germaans:
West: Angelsaksisch: slincan «kruipen», Engels: to slink
Noord: Zweeds: slinka

Een nevenvorm van "slinken" was in het Middelnederlands "slingen". Van dit werkwoord is nog de iteratiefvorm "slingeren" overgebleven.

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slinken
/ˈslɪŋkə(n)/
slonk
/slɔŋk/
geslonken
/ɣəˈslɔŋkə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

slinken

  1. (ergatief) (in massa of omvang) minder worden, inkrimpen
    Het ijsklontje slonk in de zon.
  2. (ergatief) (in kracht) minder worden, verslappen
    De kracht van de tegenstanders slinkt zienderogen.
  3. (ergatief) (in aantal of hoeveelheid) minder worden
    Wegens de kredietcrisis is het aantal gegadigden voor nieuwbouwwoningen fel geslonken.
  4. (ergatief) geleidelijk verdwijnen, wegdeemsteren
    De kade van Oostende slonk beetje bij beetje naarmate het schip volle zee bereikte.
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
slinking slinkend
slenk slank