slingerde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- slin·ger·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| slingeren |
slingerde
- enkelvoud verleden tijd van slingeren
- Ik slingerde.
- Jij slingerde.
- Hij, zij, het slingerde.
- Ik slingerde.