slinger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slin·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slinger slingers
verkleinwoord slingertje slingertjes

Zelfstandig naamwoord

slinger m [2]

  1. het slingeren, de zwaai
  2. lang lint om opgehangen de feestvreugde te verhogen, guirlande
  3. slingerende lijn
  4. ouderwets hulpstuk (zwengel) waarmee de T-Ford in beweging werd gebracht (nu vervangen door de startmotor)
    De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
    Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
    Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
    Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder bed.(Louis Davids)
  5. wapen waarmee stenen weggeslingerd konden worden (nu vervangen door het machinegeweer)
  6. voorwerp dat regelmatig heen en weer gaat en waarvan de periodeduur praktisch onafhankelijk is van de amplitude, heel geschikt om een uurwerk van te bouwen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal

Werkwoord

vervoeging van
slingeren

slinger

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slingeren
    Ik slinger.
  2. gebiedende wijs van slingeren
    Slinger!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slingeren
    Slinger je?
Afgeleide begrippen