sliepen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ˈslipə(n)/
Woordafbreking
- slie·pen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| slapen |
sliepen
- meervoud verleden tijd van slapen
- Wij sliepen.
- Jullie sliepen.
- Zij sliepen.
- Wij sliepen.