slechterik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slech·te·rik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slechterik slechteriken
verkleinwoord slechterikje slechterikjes

Zelfstandig naamwoord

slechterik m

  1. iemand die kwaad doet
    Ze hebben die slechteriken eindelijk te pakken.