sire

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to sire
he/she/it sires
verleden tijd sired
voltooid
deelwoord
sired
onvoltooid
deelwoord
siring
gebiedende wijs sire

Werkwoord

sire

  1. verwekken
    «The king had sired five children with other women, but still lacked an heir to the throne.»
    De koning had bij andere vrouwen vijf kinderen verwekt, maar hij had nog steeds geen troonopvolger.