sein
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sein
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | sein | seinen |
| verkleinwoord | seintje | seintjes |
Zelfstandig naamwoord
sein o
- een betekenisvolle beweging
- Met zijn hoofd gaf hij het sein door te lopen.
- een aanduiding, een aanwijzing
- Eindelijk krijgt hij het sein om te beginnen.
- een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
- Het driehoekige groene sein gaf een maximumsnelheid voor het baanvlak van 130 kilometer per uur aan.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- seinboek, seinbord, seincode, seinen, seiner, seingever, seinhuis, seinlamp, seinlicht, seinontvanger, seinpaal, seinpost, seinraket, seinregister, seinsleutel, seintoestel, seintoren, seinvlag, seinwachter
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een betekenisvolle beweging
3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
in te delen vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| seinen |
sein
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van seinen
- Ik sein.
- gebiedende wijs van seinen
- Sein!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van seinen
- Sein je?
Duits
Uitspraak
Woordafbreking
- sein
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sein /ˈzaɪ̯n/ |
war /ˈvaːɐ̯/ |
gewesen /gəˈveːzən/ |
| volledig | ||
Werkwoord
sein
- zijn
- «Er ist 30 Jahre alt.»
- Hij is 30 jaar oud.
- «Er ist 30 Jahre alt.»
- afkomstig zijn uit
- «Sie sind aus der Schweiz.»
- Ze komen uit Zwitserland.
- «Sie sind aus der Schweiz.»