schurk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schurk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schurk | schurken |
| verkleinwoord | schurkje | schurkjes |
Zelfstandig naamwoord
schurk m
- (scheldwoord) een persoon die kwaad bedrijft
- Die hele regering bestaat uit dieven, schurken en oplichters!
- een ondeugend kind
- Wat een schurk ben jij toch!
Vertalingen
- [1] slechterik, schavuit, bandiet
Vertalingen
1. een persoon die kwaad bedrijft
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schurken |
schurk