schot
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | schot | schoten |
| verkleinwoord | schotje schootje |
schotjes schootjes |
Woordafbreking
- schot
Woordherkomst en -opbouw
- [1]: Naamwoord van handeling van schieten
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | schot | schotten |
| verkleinwoord | schotje | schotjes |
Zelfstandig naamwoord
schot
| 3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | schot | schoten |
| verkleinwoord | - | - |
- o: het afvuren van een projectiel
- o: een afscheidende tussenwand
- (veeteelt) v: vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen
1. afvuren
2. tussenwand
3. jonge koe