schoren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- scho·ren
Zelfstandig naamwoord
schoren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schoor
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| scheren |
schoren
- meervoud verleden tijd van scheren
- Wij schoren.
- Jullie schoren.
- Zij schoren.
- Wij schoren.