school

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • school
enkelvoud meervoud
naamwoord school scholen
verkleinwoord schooltje schooltjes

Zelfstandig naamwoord

school v/m

  1. (onderwijs) een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen.
    Het is verplicht dat kinderen naar school gaan.
  2. (dierkunde) een zwemmende groep gelijksoortige vissen.
    Daar zwom een school karpers.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scholen

school

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scholen
    Ik school.
  2. gebiedende wijs van scholen
    School!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scholen
    School je?
vervoeging van
schuilen

school

  1. enkelvoud verleden tijd van schuilen
    Ik school.
    Jij school.
    Hij, zij, het school.

Bijwoord

school

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    schoolgaan: hij ging daar jarenlang school.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
school schools

Zelfstandig naamwoord

school

  1. school
  2. (dierkunde) school