school
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: school (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /sχoːɫ/
- (Vlaanderen, Brabant): /sxoːɫ/
- (Limburg): /sxoːl/
Woordafbreking
- school
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | school | scholen |
| verkleinwoord | schooltje | schooltjes |
Zelfstandig naamwoord
- een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen.
- Het is verplicht dat kinderen naar school gaan.
- (dierkunde) een zwemmende groep gelijksoortige vissen.
- Daar zwom een school karpers.
Verwante begrippen
- [1] kostschool, schoolagenda, schoolbank, schoolbel, schoolbord, schoolmeester, muziekschool, zangschool
Vertalingen
1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| scholen |
school
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scholen
- Ik school.
- gebiedende wijs van scholen
- School!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scholen
- School je?
| vervoeging van |
|---|
| schuilen |
school
- enkelvoud verleden tijd van schuilen
- Ik school.
- Jij school.
- Hij, zij, het school.
- Ik school.
Bijwoord
school
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- schoolgaan: hij ging daar jarenlang school.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
Uitspraak
- Geluid: school (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /skuːl/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| school | schools |
Zelfstandig naamwoord
school