schijnsel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schijn·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schijnsel schijnsels
verkleinwoord schijnseltje schijnseltjes

Zelfstandig naamwoord

schijnsel o

  1. zacht licht van een lamp of kaars
    Bij het schijnsel van een paar kaarsen nuttigden wij een intieme maaltijd.