scheuren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- scheu·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| scheuren |
scheurde |
gescheurd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
scheuren
- (overgankelijk) in twee of meer delen trekken
- De aardschok scheurde het huis in tweeën.
- Het huis werd door de aardschok in in tweeën gescheurd.
- (ergatief) langs een inkeping in twee of meer delen uiteenvallen
- De muur scheurde van boven naar beneden.
- Die muur is lelijk gescheurd.
Vertalingen
1. in twee of meer delen trekken
Zelfstandig naamwoord
scheuren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord scheur