scheep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- scheep
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
scheep o
- ~ gaan aan boord van een schip gaan en wegvaren
- Zij waren in Rotterdam scheep gegaan.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schepen |
scheep