scheep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheep
Woordherkomst en -opbouw
  • Van te scheep <Middelnederlands: te scepe, met datief van schip.

Zelfstandig naamwoord

scheep o

  1. ~ gaan aan boord van een schip gaan en wegvaren
    Zij waren in Rotterdam scheep gegaan.

Werkwoord

vervoeging van
schepen

scheep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schepen
    Ik scheep.
  2. gebiedende wijs van schepen
    Scheep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schepen
    Scheep je?