scheen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheen
enkelvoud meervoud
naamwoord scheen schenen
verkleinwoord scheentje scheentjes

Zelfstandig naamwoord

scheen m

  1. (anatomie) voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • Iemand het vuur na aan de schenen leggen.
Het iemand moeilijk maken.
  • Iemand tegen de schenen schoppen.
Iemand pijnlijk raken.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schijnen

scheen

  1. enkelvoud verleden tijd van schijnen
    Ik scheen.
    Jij scheen.
    Hij, zij, het scheen.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen