schedule

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
schedule schedules

Zelfstandig naamwoord

schedule

  1. schema
  2. agenda
vervoeging
onbepaalde wijs to schedule
he/she/it schedules
verleden tijd scheduled
voltooid
deelwoord
scheduled
onvoltooid
deelwoord
scheduling
gebiedende wijs schedule

Werkwoord

schedule

  1. een afspraak maken.
    «He scheduled an appointment for Tuesday.»
    Hij maakte een afspraak voor dinsdag.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen