schat

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Lettergrepen
  • schat

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord schat schatten
verkleinwoord schatje schatjes

schat de

  1. verzamelde rijkdom
    de zeerovers hadden hun schat op een eiland begraven
  2. iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt
    ach, wat een schatje!

Vertalingen

Werkwoord

schat

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en gebiedende wijs van schatten
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen