schat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- schat
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schat | schatten |
| verkleinwoord | schatje | schatjes |
- verzamelde rijkdom.
- De zeerovers hadden hun schat op een eiland begraven.
- iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt.
- Ach, wat een schatje!
Vertalingen
1.
|
|
Werkwoord
schat
| vervoeging van |
| schatten |
schat