schaft

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaft
enkelvoud meervoud
naamwoord schaft schaften
verkleinwoord schaftje schaftjes

Zelfstandig naamwoord

schaft v/m

  1. het onderbreken van de arbeid voor het nuttigen van een maaltijd
    De schaft werd daardoor een kwartiertje uitgesteld.
  2. (scheepvaart) schachtvormig deel van een anker
    Het anker bestaat uit twee stukken behalce de steel; de schaft wordt door eene spil vereenigd met de armen, zijnde het eene uiteinde van de schaft vorksgewijze gemaakt om de armen te omvatten.[1]
  3. (zoötomie) het massieve deel van een vogelveer tussen spoel en vlag

Werkwoord

vervoeging van
schaffen

schaft

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaffen
    Jij schaft.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaffen
    Hij schaft.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van schaffen
    Schaft!

Werkwoord

vervoeging van
schaften

schaft

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van schaften
  2. gebiedende wijs van schaften
Verwijzingen
  1. blz 423 Jaarboekje van de wetenschappen en kunsten. Vierde jaargang 1850