sabbat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sab·bat
Woordherkomst en -opbouw
  • Herkomst: Hebreeuws (gangbare Nederlandse versie), letterlijk: 'dag van ophouden/rusten' [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord sabbat sabbats
sabbatten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sabbat m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) zevende dag van de week, zaterdag, joodse rustdag (111×: Ex. 16:23 +, Lev. 16:31 +, Num. 15:32 +, Deut. 5:12 +, 2 Kon. 4:23 +, Jes. 1:13 +, Jer. 17:21 +, Ez. 46:1 +, Hos. 2:13, Am. 8:5 +, Ps. 92:1, Klaagl. 2:6, Neh. 9:14 +, 1 Kron. 9:32 +, 2 Kron. 23:4 +; ook 55× in NT), van vrijdagavond tot zaterdagavond, als rustdag die gewijd is aan de verering van God
  2. (meer algemeen:) rustdag, rusttijd
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  1. sabbat bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)